Op 1 april is het 25 jaar geleden dat Nederland als eerste land ter wereld het burgerlijk huwelijk openstelde voor paren van gelijk geslacht. Nieuwe cijfers die het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft gepubliceerd, geven een gedetailleerd beeld van de impact van deze historische wetgeving. Een van de opvallendste bevindingen is dat meer dan 1.100 paren – 600 mannenparen en 500 vrouwenparen – die in het eerste jaar 2001 trouwden, nu op het punt staan hun zilveren huwelijksjubileum te vieren.
Een terugblik op 25 jaar
Sinds de invoering van de wet zijn in Nederland meer dan 36.000 paren van gelijk geslacht in het huwelijksbootje gestapt. Iets meer dan de helft van deze huwelijken werd gesloten tussen twee vrouwen. Begin 2026 telde het land ongeveer 25.000 gehuwde homoparen, bestaande uit bijna 12.000 mannenparen en 13.000 vrouwenparen.
Tijdens de eerste stormloop in 2001 en 2002 trouwden er meer mannenparen. Sinds 2003 worden er echter elk jaar consequent meer huwelijken tussen vrouwen gesloten dan tussen mannen. In de laatste vijf jaar trouwden jaarlijks gemiddeld 900 vrouwenparen en 750 mannenparen, een stijging ten opzichte van de periode 2016-2020. Dit duidt op een gestage en groeiende interesse in het huwelijk binnen de gemeenschap, waarbij de aantallen nu het pre-pandemische niveau overstijgen.
Demografie: wie trouwt en waar?
De CBS-gegevens werpen ook licht op de demografische kenmerken van homoparen die ervoor kiezen te trouwen.
Leeftijd en leeftijdsverschil
Mannen zijn doorgaans ouder wanneer ze met een partner van hetzelfde geslacht trouwen, met een gemiddelde leeftijd van 41 in 2025. Dit staat in contrast met de gemiddelde leeftijd van 37 voor vrouwen die met een vrouw trouwen, wat dezelfde gemiddelde leeftijd is als voor heteroseksuele paren. Het leeftijdsverschil tussen partners is ook het grootst bij mannenparen, gemiddeld 7 jaar, vergeleken met 5 jaar voor vrouwenparen en 4 jaar voor man-vrouwparen.
Geografische spreiding
Het is niet verrassend dat gehuwde paren van gelijk geslacht meer geconcentreerd zijn in stedelijke gebieden. Amsterdam is koploper, waar 44 op de 1.000 gehuwden deel uitmaken van een homohuwelijk. De hoofdstad wordt gevolgd door andere progressieve, studentensteden zoals Nijmegen (35 per 1.000) en Groningen (29 per 1.000). In schril contrast hiermee staan gemeenten in de Nederlandse 'Biblebelt', die de laagste cijfers laten zien. In Urk en Woudenberg, bijvoorbeeld, heeft minder dan 1 op de 1.000 gehuwden een partner van hetzelfde geslacht.
De realiteit van relaties: een blik op echtscheidingscijfers
Hoewel het huwelijk een viering van toewijding is, bieden de statistieken ook een nuchtere kijk op de levensduur ervan. Jaarlijks eindigen meer dan 400 homohuwelijken in een echtscheiding. De gegevens tonen een significant verschil tussen mannen- en vrouwenparen. Huwelijken tussen twee vrouwen hebben statistisch gezien een grotere kans om in een echtscheiding te eindigen dan die tussen twee mannen of tussen een man en een vrouw.
Kijkend naar de groep paren die in 2015 trouwden, was begin 2025 24% van de vrouwenparen gescheiden. Dit is bijna het dubbele van het percentage bij mannenparen (13%) en heteroseksuele paren (13%). Volgens het CBS is dit patroon consistent over verschillende huwelijksjaren en geldt het ook voor geregistreerde partnerschappen.